Voor de storm - 10 februari 2020

Vrijdag, twee dagen voor de storm, hadden we sinds weken weer een prachtige dag. Vorst in de nacht, een laagje rijp in de ochtend met daarna een heerlijk zonnetje.

Hoewel op vrijdag meestal het een en ander aan taken in het huishouden wacht, besluit ik optimaal van deze dag te genieten. In de vroege ochtend ga ik met Bolt, camera en mede-fotografie-gekkie Carla op pad. Later in de ochtend heb ik een wandeling met vriendin Maddy in de Oisterwijkse bossen gepland om gezellig bij te kletsen en daarna een verdiende lunch. Poetsen en strijken kan de volgende dag ook nog, helaas loopt dat niet weg.

Om 8.30u lopen Carla en ik vanaf Klooster Nieuwkerk al richting ven de Halve Maan. De kou van die nacht heeft een heel dun, wit laagje op de natuur gestrooid.

De zon begint op te komen als een oranje bal met de bedoeling om wat later haar gele ochtendgloed over alles heen te schijnen.

We besluiten eerst langs de Halve Maan af te lopen om hier en daar wat vogelvoer te strooien wat mijn fotografiemaatje had mee genomen in de hoop om op de terug weg met de telelens wat kiekjes te kunnen nemen van de snoepende mezen en andere gevleugelde vriendjes.

Het ven staat zo onderhand weer behoorlijk vol met water waardoor het lijkt of ook het grondwaterpeil weer op niveau zou moeten zijn. Afgelopen nacht heeft het net genoeg gevroren om een klein, flinterdun laagje ijs op een gedeelte van het ven te leggen, het enige wat ik nog mis, is damp door de opkomende zon. Maar ook zonder die damp kan ik de Halve Maan eindelijk weer eens in volle glorie vast leggen.

Door het gebrek aan vogels binnen het bereik van onze telelenzen, besluiten Carla en ik even verderop over te gaan op macrofotografie. De zon schijnt nu echt een super mooi, zacht licht over de grassprieten. Mijn oog valt op een boomstam met berijpt mos en ik zak door mijn knieën om dit mooie plaatje vast te leggen.

Tot slot is de gagel aan de beurt die in struwelen aan het ven groeit. Wilde Gagel komt voor op 's winters zeer natte, zure, venige grond op heidevelden, in moerasbossen en laagveenmoerassen. Ook vindt men de struik in natte duinvalleien. Gagelstruwelen vormen zich alleen als er weinig concurrentie is van andere struiken of bomen. De wilde gagel bloeit in april en mei. De goudkleurige katjes verschijnen voor de bladeren aan de twijgen die daarna niet meer doorgroeien.

De struik werd vroeger beschouwd als medicinale plant of als toverplant, ze vond bijvoorbeeld toepassing bij kiespijn maar werd ook beschouwd als afrodisiacum. Hij is ook insectenwerend. Daarnaast werd de plant toegepast bij het leerlooien en gebruikte men de gele vrouwelijke bloemknoppen als verfstof.

Blad van de gagelstruik was in de middeleeuwen vanwege de bitterstof een der hoofdbestanddelen van gruut, het kruidenmengsel dat bier moest aromatiseren en langer houdbaar maken voordat hopbellen daarvoor algemeen toegepast werden. Gagel wordt weer toegepast in enkele speciaalbieren.

Op onze weg terug gaan we nogmaals de plekken af waar het vogelvoer werd gestrooid, maar wederom vangen we bot. De vogeltjes lijken het nog niet te hebben gevonden.


De zon geeft ons nog een laatste toegift voor we bij de auto komen: zonneharpen.

0 views

© 2019 by Miranda Rijnen. Proudly created with Wix.com